Noedelslurpen

Ik zit op een iets te lage kruk aan de bar van een klein noedelrestaurantje waar hoogstens plek is voor tien man.

Om mij heen wordt nauwelijks gesproken. De meeste klanten zijn alleen, getrouwde mannen die na een hectische dag op kantoor liever in alle rust hun krantje lezen dan dat zij terugkeren naar hun vrouw. De enkeling die een collega heeft meegenomen, doet op fluistertoon zijn verhaal. Hoewel ik te ver weg zit om hen goed te verstaan, begrijp ik dat de twee de ramp in Fukushima bespreken — waarover kan het tegenwoordig anders gaan?

Ondanks de rust houdt één geluid constant aan: het luidruchtige geslurp van de eters, want een kom noedels hoort, anders dan andere gerechten, genuttigd te worden in combinatie met een enthousiast sissend geluid van de lippen wanneer de lange dunne slierten hun weg naar binnen vinden.

Links aan de bar werkt een man van middelbare leeftijd in driedelig streepjespak met veel lawaai een kom rāmen weg. Achter me, aan één van de vierkante tafeltjes, zuigt een scholier vol passie zijn soba-slierten door een spleet tussen de tanden. Naast hem, aan een ander tafeltje, slurpt een jonge studente aan haar sōmen terwijl ze in het gratis magazine Hot Pepper bladert, vermoedelijk op zoek naar kortingsbonnen voor de kapper. Ze slurpt beduidend zachter dan de heren in de zaak, maar nog steeds goed hoorbaar.

Voor mij op de bar staat mijn udon. Ik pak mijn eetstokjes -zwarte herbruikbare, beter voor het milieu dan de houten wegwerpvariant- en breng daarmee de punten van de udon naar mijn mond. Dan zuig ik met alle kracht in mijn lichaam. Het klinkt goed, niet te onderscheiden van het geluid van de Japanners om mij heen, maar in mijn geval verdwijnt de udon niet achter mijn kiezen. Integendeel, de spetters vliegen om mijn oren en kletteren als een fontein op de bartafel. Ik kan het niet, noedelslurpen.