De paarden van Seoul

De spanning is voelbaar als twaalf paarden en hun jockeys de ring betreden voor een sprint over 1200 meter. Niet voor niets, want er staat geld op het spel. Veel geld. De vele duizenden bezoekers van het Seoul Race Park in de Zuid-Koreaanse hoofdstad hebben voor aanvang van de wedstrijd flink gewed op de paarden die zij het liefst als eerst over de finishlijn zien gaan. Het gros bestaat uit middelbare Koreaanse mannen, briesend en galopperend bij de gokautomaten om hun stem te laten gelden.

Mijn geld staat op paard acht, een jonge merrie die naar de naam Vicar Dreamer luistert. Een plaats in de top drie is goed voor een verdubbeling van mijn inzet, daaronder ben ik alles kwijt.

In de verte klinkt het startschot en de paarden vliegen weg. Het zijn nog kleine stipjes, nauwelijks van elkaar te onderscheiden, maar op het reusachtige scherm in de binnenste ring zie ik hoe Vicar Dreamer al vóór de eerste bocht in de achterlinie beland. “Dat is het dan,” bijt ik mezelf chagrijnig toe, “daar gaan je duiten”.

Als de paarden door de tweede bocht zijn, staat het publiek massaal op. “Rennen, Midas Victor!” schreeuwt er één tegen het paard dat aan de leiding gaat en als eerste langs de tribune stuift. “Beauty Cat, kappen met dat getreuzel,” hinnikt een ander. Een man naast me begint luidkeels te vloeken. Het brengt een hoop los bij de Koreanen, dat paardenrennen.

Door het tumult om mij heen vergeet ik te letten op Vicar Dreamer. Dan, enkele honderden meters voor de finish, krijg ik haar in de gaten. Ze vliegt over het parcours, gaat de één na de ander voorbij en doet zelfs een gooi naar de tweede plaats. Dat mislukt, maar wat maakt het uit: derde betekent cashen!

Triomfantelijk paradeer ik naar het dichtsbijzijnde loket om mijn winst te verzilveren. “Gewonnen?” vraagt een man. “Gewonnen!” juich ik alsof de staatsloterij zojuist op mijn lot is gevallen, en ik laat hem dolblij mijn stembiljet zien. Hij schiet in de lach. Ik heb vijfhonderd won (30 eurocent) verdiend.